verloskunde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·los·kun·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verloskunde -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verloskunde v

  1. (medisch) de studie van de zwangerschap en de bevalling[1]
    • Het is zeer verkeerd om menschen die zonder geneeskundige vorming, alleen in het bezit zijn van eenige heelkundige kennis, tot de studie of tot het examen in de verloskunde toe te laten. [2]
  2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
    • In de uitoefening vereischt de Verloskunde eene volledige opoffering van de gemakken des levens, en in sommige gevallen zelfs der gezondheid, en onbepaalde lust en bereidwilligheid tot hulp op ieder uur van den dag. [3]
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Nieuwenhuis, Gerrit (1868). Nieuwenhuis' woordenboek van kunsten en wetenschappen, herzien, omgewerkt en vermeerderd tot verspreiding van kennis en bevordering der beschaving onder alle standen, deel 10, p. 152. Uitg.: A.W. Sythoff.
  2. Naegele, Hermann Franz; Hendrik Jan Broers (1843). Leerboek der verloskunde, p. 8. Uitg.: C. Vander Post Jr.
  3. Busch, D.W.H. (1839). Leerboek der verloskunde als handleiding by akademische voorlezingen en eigene beoefening van dit vak, p. 3. Uitg.: H. Frylink.