bevalling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·val·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van bevallen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord bevalling bevallingen
verkleinwoord bevallinkje bevallinkjes

Zelfstandig naamwoord

bevalling v

  1. het baren van een kind
    • Na de bevalling werd de navelstreng doorgeknipt. 
    • Wij vloggen alles en daar hoort de bevalling van onze jongste dochter ook bij”, vertelt moeder Fara. “Een kindje dat ter wereld komt, is het grootste wonder dat bestaat. Wij laten het echte leven zien, daar hoort dit ook bij. [1] 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen