Naar inhoud springen

double

Uit WikiWoordenboek

double

  1.  double bn 
enkelvoud meervoud
double doubles

double

  1. dubbel exemplaar,  doublure zn 
  2. dubbelganger
  3. duplicaat
  4. dubbele hoeveelheid
  5. verdubbeling
vervoeging
onbepaalde wijs to  double 
he/she/it  doubles 
verleden tijd  doubled 
voltooid
deelwoord
 doubled 
onvoltooid
deelwoord
 doubling 
gebiedende wijs  double 

double

  1. onovergankelijk dubbel worden, zich verdubbelen
  2. onovergankelijk plotseling omkeren
  3. overgankelijk verdubbelen
  4. overgankelijk, (spel) doubleren [2]





  enkelvoud meervoud
  mannelijk  /
  vrouwelijk  
double doubles

double

  1.  dubbel bn 
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  double     le double     doubles     les doubles  

double m

  1. (sport)  dubbel zn  [2]; dubbelspel
  2.  dubbel zn ; tweede exemplaar; kopie
vervoeging van
doubler

double

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van doubler
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van doubler
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van doubler