uitstippelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stip·pe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstippelen
stippelde uit
uitgestippeld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitstippelen

  1. overgankelijk vooraf uitzoeken hoe het zal worden
    • De daders konden vooraf geen potentiële vluchtwegen uitstippelen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.