plannen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • plan·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plannen
plande
gepland
zwak -d volledig

Werkwoord

plannen

  1. overgankelijk een tijdstip afspreken om iets te doen
    • Kunnen we een afspraak plannen om de verhuizing door te nemen? 
  2. overgankelijk het maken van een plan
     Het was Jetfighter, een vrouw vol rauwe energie, met een sterke behoefte om vrij te zijn. Ze leerde me flexibel te zijn en mee te bewegen met wat er op mijn pad kwam. Het komt altijd goed. Aanvaarden dat dingen niet altijd gaan zoals je gepland hebt, en dat je flexibel moet zijn in het heden om vrij te zijn.[1]
     Na een jaar lang plannen, lezen, onderzoeken, sparen en trainen ging mijn avontuur eindelijk beginnen, hoewel ik eigenlijk geen idee had waar ik aan begon.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

plannen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plan
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be