uitrollen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rol·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrollen
rolde uit
uitgerold
zwak -d volledig

Werkwoord

uitrollen

  1. ergatief ophouden te rollen
    • De bal was al bijna uitgerold voordat een speler er een trap tegen kon geven. 
  2. overgankelijk (sport) met een rollende beweging een bal in het spel brengen
  3. overgankelijk in een rollende beweging uitspreiden
    • Het was moeilijk het papyrus uit te rollen omdat deze erg breekbaar geworden was. 
  4. (figuurlijk) organiseren
     Op dit moment zorgt Wijnveld met zijn collega's voor het uitrollen van de anderhalvemetereconomie in negen steden in ons land: "Halsema zei bij Op1 dat ze zondag toch onrustig werd, normaal ga je bij twijfel voor de zekerheid toch voorbereidingen inzetten, zorg je dat afzettingen klaar staan, of led-schermen om mensen er op te wijzen dat het vol is. Dat is niet gebeurd. Dan kun je ook niet meer ingrijpen, zonder dat het ongezellig wordt."[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Onno Beukers “Welke keuzes had Halsema? 'Er leek niks voorbereid'” (2/6/2020), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be