uitrollen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rol·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrollen
rolde uit
uitgerold
zwak -d volledig

Werkwoord

uitrollen

  1. ergatief ophouden te rollen
    • De bal was al bijna uitgerold voordat een speler er een trap tegen kon geven. 
  2. overgankelijk (sport) met een rollende beweging een bal in het spel brengen
  3. overgankelijk in een rollende beweging uitspreiden
    • Het was moeilijk het papyrus uit te rollen omdat deze erg breekbaar geworden was. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.