uithakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·hak·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uithakken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithakken
hakte uit
uitgehakt
zwak -t volledig
  1. iets verwijderen door hakken
    • Even later zigzaggen we door de wijk Musschemig, waar de jongens woonden die de kolen uithakten. Het is de oudst overgebleven mijnkolonie.[2] 
    • De woede over PvZ2 volgt die van spelers van de nieuwe mobiele versie van Dungeon Keeper. Spelers moeten hierbij geregeld uren of zelfs dagen wachten voordat zelfs basisacties zoals het uithakken van een stuk steen, uitgevoerd zijn. De enige manier om het proces te versnellen, is door met 'gems'te betalen, die weer met echt geld zijn aan te schaffen.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf R.B.P. Van Weperen 5 maart 2016
  3. de Telegraaf 13 februari 2014