uitblinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·blin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitblinken
blonk uit
uitgeblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

uitblinken

  1. inergatief ~ in uitzonderljk goed presteren
    • Hij blonk vooral uit in wiskunde. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.