tuinder
Uiterlijk

sproeit pesticiden over zijn aardbeien met de gifspuit (1949)- tuin·der
- In de betekenis van ‘groente- en fruitkweker’ voor het eerst aangetroffen in 1723 [1]
- Afgeleid van tuin met het achtervoegsel -der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tuinder | tuinders |
| verkleinwoord | tuindertje | tuindertjes |
de tuinder m
- (beroep) iemand die beroepsmatig tuinen aanlegt en verzorgt
- Wat de tuinman of tuinder gebruiken kan.
- (beroep), (tuinbouw) iemand die actief is in de tuinbouw
- Een biologische tuinder kweekt zijn producten zonder kunstmest of bestrijdingsmiddelen te gebruiken.[2]
- Het woord tuinder staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tuinder" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
| 79 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "tuinder" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ ‘Trotse Tuinders’ komt met prachtige kalender 2013: Kwekers zijn trots op hun producten, De Heraut, 21 november 2012
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -der in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Tuinbouw in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 94 %
- Prevalentie Vlaanderen 79 %