trog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trog
enkelvoud meervoud
naamwoord trog troggen
verkleinwoord trogje trogjes

Zelfstandig naamwoord

trog m

  1. (veeteelt) een langgerekte voederbak
    De trog was goed gevuld.
  2. (geologie) een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat
    De trog bij de Marianen is het diepste punt van de aardbodem.
  3. (meteorologie) een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied
    Na een koufrontpassage die gepaard gaat met slecht weer, volgt er een trog als het een tijd lang mooi weer is geweest.
Vertalingen

Meer informatie