trawant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·want
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘handlanger’ voor het eerst aangetroffen in 1510 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord trawant trawanten
verkleinwoord trawantje trawantjes

Zelfstandig naamwoord

trawant m [3]

  1. (persoon) handlanger (vaak niet positief bedoeld)
  2. (astronomie) bijplaneet, begeleider
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·want

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord trawant trawante

trawant

  1. (persoon) trawant, handlanger