touche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: touchtouché, toucher


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tou·che
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord touche touches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

touche m

  1. (muziek) een of meer krachtig geblazen tonen op een trompet
    • Verder kwam ik niet, want een in boerenkielen gehulde hoempaband die ik nog niet eerder had opgemerkt, walste over mij heen met een zwaar aangezette touche die de zaal bewoog tot een vrolijk ‘Zone goeje hebbe wij nog nie gehad’ - en nog eens, al viel dat op zichzelf nog zeer te bezien. [3]
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord touche touches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

touche v / m

  1. (schilderkunst) manier waarop een schilder een penseel over het doek beweegt om wat verf aan te brengen
    • Door een goed gebruik van touche kan men verschillende vlakken van een voorwerp beter laten uitkomen. [4]
  2. in details kenmerkende vormgeving
    • Ik bedoel dit: in ‘Boekenspiegel’ is de taal geworden tot technische behandelingsmethode: die van de cerebrale verhandeling. En die is bij alle recensenten voor alle boeken precies gelijk. Misschien voelt men daar in Holland in elk opstel weer een andere, markante touche, waardoor men de schrijver van het opstel herkent en ineens ook wat van het boek aanvoelt, voor mij is het onmogelijk. [5]
  3. direct contact met de hand
    • Dan riepen de dames "touche, touche" en spoedden zich de stronk bij de atrofie aan te raken. Dat bracht geluk voor de ganse nacht. [6]
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] touche hebben
    sjans hebben
Verwante begrippen

naar de vorm; ook aan het Frans ontleend

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Hals met toets (zwart) van een viool
Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  touche     la touche     touches     les touches  

Zelfstandig naamwoord

touche v

  1. (muziekinstrument): de toets op de hals van een snaarinstrument
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
toucher

touche

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van toucher
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van toucher
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van toucher