tailleur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tail·leur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tailleur tailleurs
verkleinwoord tailleurtje tailleurtjes

Zelfstandig naamwoord

tailleur m [3]

  1. (beroep) kleermaker
  2. nauwsluitend damesmantelpak
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen