stuwer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·wer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stuwer stuwers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stuwer m [1]

  1. (beroep) havenarbeider
    • Goedgebekt, vooral op dreef als hij het geweten van Nederland mag zijn. Geboren in Den Helder, een telg uit het Vroom & Dreesmannconcern, waar zijn vader directeur en grootaandeelhouder was. Zelf stopte hij in 1978 met zijn studie sociologie om in de haven van Rotterdam als maoïst de revolutie te prediken. Rosenmöller werkte er als stuwer bij Müller Thomson. [2] 
    • Behalve sjorders, stuwers en bootwerkers heeft ook de havenbaron zijn langste tijd gehad. De vroegere eigenaren van havenbedrijven zijn vervangen door moderne managers. “Dat is een goede zaak voor de haven”, meent Zeele. “Het overleg tussen werkgever en bonden is er minder emotioneel van geworden.” [3] 
  2. (informeel) dief
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.


Verwijzingen