bestuderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stu·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestuderen
bestudeerde
bestudeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

bestuderen

  1. overgankelijk er een studie over maken
    • Gelovigen van de heilzame invloed van marktwerking wordt aangeraden de prestaties van de Nederlandse Spoorwegen te bestuderen nadat die waren geprivatiseerd 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.