steltloper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stelt·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord steltloper steltlopers
verkleinwoord steltlopertje steltlopertjes

Zelfstandig naamwoord

steltloper m

  1. iemand die op stelten loopt
    • In het circus zijn vaak wel steltlopers te vinden. 
  2. een waadvogel op lange poten
    • Een kluut en een grutto zijn steltloper. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie