Naar inhoud springen

spuug

Uit WikiWoordenboek
  • spuug
enkelvoud meervoud
naamwoord spuug -
verkleinwoord spuugje spuugjes

hetspuugo

  1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
vervoeging van
spugen

spuug

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spugen
    • Ik spuug. 
  2. gebiedende wijs van spugen
    • Spuug! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spugen
    • Spuug je? 
100 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[3]