sorg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord sorg sorge

Zelfstandig naamwoord

sorg

  1. zorg
    «Vanaand is die aand dat ek al my sorge gaan wegdans!»
    Vanavond is de avond dat ik al mijn zorgen ga wegdansen!
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
sorg
gesorg
volledig

Werkwoord

sorg

  1. zorgen
    «Die organiseerders het ook gesorg dat daar nie 'n tekort aan spys en drank vir die besoekers gaan wees nie.»
    De organisatoren hebben ervoor gezorgd dat er geen tekort aan spijs en drank voor de bezoekers ontstaat.


Deens

Uitspraak
  • IPA: /sɔrɡ/, /sɒwˀ/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middeldeense "sorrig"
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sorg     sorgen     sorger     sorgerne  
genitief   sorgs     sorgens     sorgers     sorgernes  

Zelfstandig naamwoord

sorg, g

  1. verdriet


Faeröers

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse sorg

Zelfstandig naamwoord

sorg v

  1. verdriet


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • sorg
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse sorg
Naar frequentie 3118
m/v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sorg     sorgen
sorga  
  sorger     sorgene  
genitief   sorgs     sorgens
sorgas  
  sorgers     sorgenes  

Zelfstandig naamwoord

sorg, m / v

  1. verdriet
  2. rouw
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • sorg
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse sorg
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sorg     sorga     sorger     sorgene  

Zelfstandig naamwoord

sorg, v

  1. verdriet
  2. rouw
Afgeleide begrippen


Oudnoords

Woordafbreking
  • sorg
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sorg                    
genitief                        
datief                        
accusatief                        

Zelfstandig naamwoord

sorg, v

  1. verdriet
  2. rouw
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Zweeds

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse sorg.

Zelfstandig naamwoord

sorg, g

  1. verdriet