zorg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zorg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zorg zorgen
verkleinwoord zorgje zorgjes

Zelfstandig naamwoord

zorg m

  1. behoedzame overweging
    • Geldgebrek is een hele zorg. 
  2. verpleging, voorzien in een behoefte
    • Hij nam de zorg op zich voor zijn zieke vader. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zorgen

zorg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zorgen
    • Ik zorg. 
  2. gebiedende wijs van zorgen
    • Zorg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zorgen
    • Zorg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen