smekeling
Uiterlijk

- sme·ke·ling
- naamwoord van handeling van smeken met het achtervoegsel -eling [1][2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | smekeling | smekelingen |
| verkleinwoord |
de smekeling m
- iemand die om een gunst vraagt
- ▸ Degene die bidt, moet de gestalte, de gezindheid en het bewustzijn van een smekeling hebben.[3]
- Het woord smekeling staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "smekeling" herkend door:
| 57 % | van de Nederlanders; |
| 51 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ smekeling op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Vergevensgezind” (20-02-2018), Reformatorisch Dagblad - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be