shilling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • shil·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘oude Engelse munt, munteenheid van Oeganda, Kenia en Somalië’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord shilling shillings
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

shilling m

  1. munt met een waarde gelijk aan het twintigste deel van een engels Pound

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen