samenstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenstellen


stelde samen


samengesteld


zwak -d volledig

Werkwoord

samenstellen

  1. (overgankelijk) meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
    U kunt uw eigen gerecht samenstellen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

samenstellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord samenstel