dimanĉo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Esperanto

Uitspraak
  • IPA: /di'mantʃo/
  enkelvoud meervoud
nominatief   dimanĉo     dimanĉoj  
accusatief   dimanĉon     dimanĉojn  

Zelfstandig naamwoord

dimanĉo

  1. zondag


Dagen in het Esperanto
lundo
maandag
mardo
dinsdag
merkredo
woensdag
ĵaŭdo
donderdag
vendredo
vrijdag
sabato
zaterdag
dimanĉo
zondag