domingo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Aragonees

Uitspraak
  • IPA: /do'miŋgo/
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse (dies) Dominicus (zondag, de "Dag des Heren").

Zelfstandig naamwoord

domingo m

  1. zondag


Dagen in het Aragonees
lunes
maandag
martes
dinsdag
miércols
woensdag
chuebes
donderdag
biernes
vrijdag
sabado
zaterdag
domingo
zondag



Galicisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse (dies) Dominicus (zondag, de "Dag des Heren").

Zelfstandig naamwoord

domingo m

  1. zondag


Dagen in het Galicisch
luns
maandag
martes
dinsdag
mércores
woensdag
xoves
donderdag
venres
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag



Portugees

Woordafbreking
  • do·min·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse (dies) Dominicus (zondag, de "Dag des Heren").

Zelfstandig naamwoord

domingo m

  1. zondag
Overerving en ontlening


Dagen in het Portugees
segunda-feira
maandag
terça-feira
dinsdag
quarta-feira
woensdag
quinta-feira
donderdag
sexta-feira
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag



Spaans

Uitspraak
  • IPA: /doˈmiŋgo/
Woordafbreking
  • do·min·go
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse (dies) Dominicus (zondag, de "Dag des Heren").
enkelvoud meervoud
domingo domingos

Zelfstandig naamwoord

domingo m

  1. zondag


Dagen in het Spaans
lunes
maandag
martes
dinsdag
miércoles
woensdag
jueves
donderdag
viernes
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag