roffelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rof·fe·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord roffelaar roffelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

roffelaar m [1]

  1. iets of iemand die een trommelend geluid maakt
    • Wat een goed idee om alle zangvogels uit de ‘Vogel Top 100’ van het VARA-programma Vroege Vogels op een dubbel-cd uit te brengen. Deze hitparade van de beste Nederlandse fluiters, trillers, zangers en roffelaars is verzameld door natuurgeluidenjager Henk Meeuwsen. Vernieuwend is het allemaal niet, maar klassiekers als de veldleeuwerik en de tuinfluiter zijn natuurlijk onverwoestbaar. Zij staan naast minder bekende vocalisten als de barmsijs, de snor en de smient. [2] 
    • Maar het gaat er niet om wie van de twee de beste roffelaar is. Het gaat erom wat er is gebeurd met die vriendenband die ooit de pizzakoerier aannam als drummer en hem nu de zak geeft zodra hij vraagt waar het weggesluisd superdividend is gebleven. Is het echt zo erg? [3] 
  2. kletskous, babbelaar
  3. beunhaas, knoeier
Synoniemen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen