roe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe
enkelvoud meervoud
naamwoord roe roes
verkleinwoord roetje roetjes

Zelfstandig naamwoord

roe v/m

  1. een bundel takken waarmee geslagen kan worden
     Hij sleurde de abt bij zijn haren uit het smalle bed, smeet hem op de vloer en sloeg hem met een roe waar hij hem raken kon, onder het zingen van het lied 'O Pastor Alterne'.[1]
  2. een ronde of platte metalen buis waarmee traplopers, gordijnen e.d mee worden vastgezet
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14


Engels

Zelfstandig naamwoord

roe

  1. (dierkunde) ree


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
roer

roe

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van roer
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van roer