raadslid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raads·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord raadslid raadsleden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

raadslid o

  1. (beroep) (politiek) een lid van een gemeenteraad
    • Bent u nu raadslid of raadsman? 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie