prepareren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·pa·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prepareren
prepareerde
geprepareerd
zwak -d volledig

Werkwoord

prepareren [2] [3]

  1. overgankelijk in gereedheid brengen, voorbereiden
    • Hij had de ijkmonsters al geprepareerd en kon nu aan de metingen beginnen. 
  2. bewerken
  3. opzetten
  4. klaarmaken voor microscopisch of anatomisch onderzoek
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen