politicus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·li·ti·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘staatsman’ voor het eerst aangetroffen in 1629 [1]
  • met het achtervoegsel -icus
enkelvoud meervoud
naamwoord politicus politici
verkleinwoord (politicusje) (politicusjes)

Zelfstandig naamwoord

politicus m

  1. (beroep) (politiek) iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
    • Deze politicus hoeft zich geen al te grote zorgen te maken over de volgende verkiezingen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen