plukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluk·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘lostrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plukken
plukte
geplukt
zwak -t volledig

Werkwoord

plukken

  1. overgankelijk (bloemen) afbreken of oogsten; vruchten oogsten
    • Zij plukten een paar prachtige bloemen in hun tuin en brachten ze in de woonkamer. 
     Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.[2]
  2. overgankelijk ontdoen van de veren
    • Hij was de kip helemaal aan het plukken. 
  3. overgankelijk iemand geld afzetten
    • Pluk die vereniging niet zo leeg! 
  4. overgankelijk, (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    • De doelman plukte de bal uit de lucht. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

plukken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pluk

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen