perspectief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·spec·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘doorzichtkunde’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord perspectief perspectieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

perspectief o

  1. (kunst) het aanhouden van zodanige proporties in een vlakke afbeelding dat deze overkomen met hoe de wereld in drie dimensies waargenomen wordt
    • Het perspectief van dit schilderij klopt niet helemaal. 
  2. vooruitzicht op gunstige mogelijkheden
    • Daarna zag hij weer perspectieven. 
    • En daar staan we weer voor de strijd uitgerust, dacht Albert, klaar om het schavot te beklimmen (zo werd de ladder genoemd die ze gewoonlijk gebruikten om de loopgraaf uit te komen, over perspectief gesproken) en dan met het hoofd vooruit op de vijandelijke linies af te stormen. [3] 
  3. plaats en richting vanwaaruit men iets bekijkt
    • Maar bovenal komt die verdraaiing van de werkelijkheid door Yorgos Lanthimos. De absurdistische Griekse regisseur (Dogtooth, The Lobster, The Killing of a Sacred Deer) geeft het genre letterlijk een andere draai, door vaak een vervreemdend perspectief te kiezen. [4] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen