vooruitzicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·uit·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vooruitzicht vooruitzichten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vooruitzicht o

  1. datgene wat men redelijkerwijs te verwachten heeft in de naaste toekomst
    • De economische vooruitzichten zijn een stuk zonniger dan voorheen. 
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.