peilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: pijlen


Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
peilen peilend
peiling gepeild
- peilbaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • pei·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
peilen
peilde
gepeild
zwak -d volledig

Werkwoord

peilen

  1. overgankelijk, (scheepvaart) de waterdiepte bepalen
    • En de stuurman van dat schip
      deed niets anders dan peilen
      omdat hij was begaan
      dat zijn scheepje zou vergaan.[1]
       
  2. overgankelijk, (figuurlijk) onderzoeken wat mensen vinden of voelen
    • In het laatste opinieonderzoek werd dat niet gepeild. 
     Het was moeilijk om te peilen wat ze er precies van vond en hoe zij het zou beleven.[2]
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

peilen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord peil

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Lied van de Lutine
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be