peil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • peil
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: peil, peile, pegel (verkleinwoord bij pege)
Germaans: ?
Indo-Europees: *bak- «staf, stok» (vermoedelijk)
  • Verwant in Germaans:
West:
Nedersaksisch: Pegel (Duitse spelling)
Fries: peil
  • Andere Indo-Europese talen:
Helleens: Oudgrieks: βάκτρον, βακτηρία
Italisch: Latijn: baculum
Baltisch: Litouws: bakstīt
enkelvoud meervoud
naamwoord peil peilen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

peil o

  1. (waterstaat) niveau of stand van bijvoorbeeld water
    • Dit is 2 meter boven Normaal Amsterdams Peil. 
  2. (sociologie) overdrachtelijk intellectueel of moreel niveau
    • Dat is werkelijk beneden alle peil! 
Opmerkingen
  • Dit is een nevenvorm van pegel (met de normale reductie van -ege- tot -ei-).
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iets op peil houden.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
peilen

peil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peilen
    • Ik peil. 
  2. gebiedende wijs van peilen
    • Peil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van peilen
    • Peil je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie