pandjeshuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

interieur van een pandjeshuis
Uitspraak
Woordafbreking
  • pand·jes·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pandjeshuis pandjeshuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pandjeshuis o [1]

  1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men terug kopen voor dezelfde prijs verhoogd met rente
    • Het zijn zeker niet alleen de dikke vissen die een aardige stuiver bijverdienen aan de Brusselse vzw’s. Mustafa Amrani, Brussels gemeenteraadslid voor de PS en horeca-uitbater, strijkt elk jaar niet minder dan 24.275 euro op als voorzitter van De Berg van Barmhartigheid. Dat is een pandjeshuis. Inderdaad, de stad Brussel beheert nog een pandjeshuis waar iemand die helemaal aan de grond zit wat geld kan lenen als hij daarvoor bijvoorbeeld zijn horloge in pand geeft. Behalve Amrani zetelen nog tien leden in de raad van bestuur. Elk streken ze vorig jaar net geen 400 euro bruto op. [2] 
    • De slachtoffers werden meegetroond langs telecomzaken. Hen werd verteld dat ze geen last van de abonnementen zouden hebben. Toen de politie een reguliere helingcontrole in een pandjeshuis uitvoerde, kwam de handelwijze van verdachten uit. Voor de Almelose rechters beriepen zij zich op hun zwijgrecht. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 17 JUNI 2017
  3. Tubantia 06-03-2017