overzitter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·zit·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overzitter overzitters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

overzitter m

  1. scholier die een schooljaar moet overdoen
     De Vlaamse Scholierenkoepel (VSK) vraagt directies en leerkrachten grondig na te denken over alternatieven voor een C-attest en te werken met herexamens en vakantietaken. Ook wil de organisatie een persoonlijk begeleidingstraject voor overzitters. Dat meldt de VSK, als koepel dinsdag in een persbericht.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron rdc “'Wees zuinig met C-attesten'” (19/06/2012), De Standaard