Naar inhoud springen

doubleur

Uit WikiWoordenboek
  • dou·bleur
enkelvoud meervoud
naamwoord doubleur doubleurs
verkleinwoord - -

dedoubleurm

  1. (onderwijs) iemand die hetzelfde schooljaar twee keer doet, m.n. in het basis- en middelbaar onderwijs
    • Ik had een slecht rapport en werd een doubleur. 
87 %van de Nederlanders;
76 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  doubleur     le doubleur     doubleurs     les doubleurs  

doubleur m

  1. verdubbelaar
  2. stemacteur
  3. (onderwijs) doubleur, zittenblijver