zittenblijver

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ten·blij·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zittenblijver zittenblijvers
verkleinwoord zittenblijvertje zittenblijvertjes

Zelfstandig naamwoord

zittenblijver m

  1. leerling die er niet ingeslaagd is over te gaan naar de volgende klas en die de klas over moet doen
    • Er zijn wel erg veel zittenblijvers dit jaar. 
     In de tweede week, toen we zeven of acht gymlessen hadden gehad, liet de Kaper ons midden in de gymnastiekzaal in de houding staan, riep mij en drie andere jongens naar voren en zei dat we teams moesten kiezen, zoals je bij voetbal deed. Ik wist wat de bedoeling was omdat Clark, een zittenblijver die een jaar ouder was dan de anderen, me had getipt.[1]

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044632767
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be