zittenblijver

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ten·blij·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zittenblijver zittenblijvers
verkleinwoord zittenblijvertje zittenblijvertjes

Zelfstandig naamwoord

zittenblijver m

  1. leerling die er niet ingeslaagd is over te gaan naar de volgende klas en die de klas over moet doen
    • Er zijn wel erg veel zittenblijvers dit jaar. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.