overzitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overzitten -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

overzitten o

  1. het overdoen van een leerjaar of cursus bij onvoldoende vordering
    • Het overzitten wordt in het moderne onderwijs als laatste redmiddel gezien. 
Synoniemen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be