overlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overlopen
liep over
overgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

óverlopen

  1. tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken.
    Het bad was overgelopen.
  2. in de strijd van zijde wisselen.
    De slecht betaalde huurlingen liepen op het kritieke moment over naar de vijand.
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overlopen
overliep
overlopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

overlópen

  1. door een onverwacht aantal mensen bezocht worden.
    De Keukenhof werd overlopen met bezoekers met dit prachtige weer.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

overlopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord overloop