Naar inhoud springen

overloop

Uit WikiWoordenboek
  • over·loop
enkelvoud meervoud
naamwoord overloop overlopen
verkleinwoord overloopje overloopjes

deoverloopm

  1. gang op een bovenverdieping
     ' Op de overloop draaide Lawrie zich naar me om.[2]
     'Wat heb je in vredesnaam gedaan?' Nella loopt zachtjes over de overloop en hapt naar adem als ze ziet wat de drie mannen hebben achtergelaten.[3]
     Op de overloop boven aan de trap stond een grote vaas met plastic bloemen.[4]
  2. overlappend
  3. overgaan van een toestand naar een andere
  4. migratie van stad naar het platteland
  5. (statistiek) het verschil tussen het niveau van een variabele aan het eind van het jaar en het gemiddelde jaarniveau van die variabele
vervoeging van
overlopen

overloop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
    • Ik overloop. 
  2. gebiedende wijs van overlopen
    • Overloop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
    • Overloop je? 
vervoeging van
overlopen

overloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
    • ... dat ik overloop. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. overloop op website: Etymologiebank.nl
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be