pardessus

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Een man trekt een pardessus aan
Uitspraak
Woordafbreking
  • par·des·sus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pardessus pardessus
verkleinwoord pardessusje pardessusjes

Zelfstandig naamwoord

pardessus m

  1. overjas

pardessus mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pardessus

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pardessus     le pardessus     pardessus     les pardessus  

Zelfstandig naamwoord

pardessus m

  1. (kleding) overjas