opwarmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opwarmen opwarmend
opwarming opgewarmd
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·war·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwarmen
warmde op
opgewarmd
zwak -d volledig

Werkwoord

opwarmen

  1. overgankelijk warmte toevoegen aan iets
    • Hij warmde zijn koffie wat op in de magnetron. 
  2. ergatief een proces van temperatuurstijging ondergaan
    • De aarde is inmiddels al enigszins opgewarmd. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie