opwarmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opwarmen opwarmend
opwarming opgewarmd
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·war·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwarmen
warmde op
opgewarmd
zwak -d volledig

Werkwoord

opwarmen

  1. overgankelijk warmte toevoegen aan iets
    • Hij warmde zijn koffie wat op in de magnetron. 
     De volle fles legde ik tussen mijn benen in de hoop mijn slaapzak iets op te warmen.[1]
  2. ergatief een proces van temperatuurstijging ondergaan
    • De aarde is inmiddels al enigszins opgewarmd. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be