opwarming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·war·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opwarming -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

opwarming v

  1. het doen stijgen van de temperatuur
    • Bij opwarming ontleedt deze chemische verbinding. 
  2. het proces van temperatuursverhoging
    • De opwarming gedurende de dag was voldoende om de sneeuw te doen smelten. 
    • De Noorse minister van Klimaat en Natuur, Ola Elvestuen, zegt dat ook tegen het instituut. De opwarming in het noorden gaat erg snel. We moeten onze uitstoot en de opwarming van de aarde snel verminderen om te voorkomen dat het zee-ijs in de zomers helemaal verdwijnt. [1] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] Opwarming van de aarde.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen