opvliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvliegen
vloog op
opgevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

opvliegen

  1. ergatief vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen
    • Toen de luid knal weerklink vloog de hele zwerm spreeuwen op van het veld. 
  2. ergatief overdrachtelijk: plotseling in actie komen
    • Hij vloog op en begon te schelden omdat hij zich door die opmerking beledigd voelde. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.