opsturen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opsturen
stuurde op
opgestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

opsturen

  1. overgankelijk met de post verzenden
    • Hij stuurde de brief direct op. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.