Naar inhoud springen

opgesloten

Uit WikiWoordenboek
  • op·ge·slo·ten
stellend
onverbogen opgesloten
verbogen -

opgesloten

  1. geïsoleerd van de buitenwereld
    • Hij zit opgesloten in een cel. 
     En toch was het Joegoslavië van mijn jeugd een modern land met een vergelijkbaar voorzieningenniveau als hier Wij konden vrij reizen, want we zaten niet opgesloten achter de Muur; zoals die arme zielen in het Oostblok.[1]

opgesloten

  1. geïsoleerd van de buitenwereld
    • Hij maakte in gezelschap van Damaaf, die een goede vriend was geworden ook een keer een reis naar de Steilte van Doek, waar het hol was waarin de Roodhoofden uit het Paleis opgesloten hadden gezeten. [2] 
     ' Opeens voelde ik me opgesloten in de telefooncel; ik wilde eruit.[3]
vervoeging van: opsluiten…
verbogen vorm: opgeslotene

opgesloten

  1. voltooid deelwoord van opsluiten
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 114
  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be