Naar inhoud springen

opruien

Uit WikiWoordenboek
  • op·rui·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opruien
ruide op
opgeruid
zwak -d volledig

opruien

  1. overgankelijk kwaad en opgewonden maken (voor een gevecht, aanval)
    • Het publiek werd opgeruid door de fanatieke redevoering. 
91 %van de Nederlanders;
84 %van de Vlamingen.[3]