Naar inhoud springen

incite

Uit WikiWoordenboek
vervoeging
onbepaalde wijs to  incite 
he/she/it  incites 
verleden tijd  incited 
voltooid
deelwoord
 incited 
onvoltooid
deelwoord
 inciting 
gebiedende wijs  incite 

incite

  1. overgankelijk aansporen, in gang zetten, opwekken [2]


vervoeging van
inciter

incite

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van inciter
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van inciter
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van inciter
vervoeging van
incitar

incite

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van incitar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van incitar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van incitar