Naar inhoud springen

opjutten

Uit WikiWoordenboek
  • op·jut·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opjutten
jutte op
opgejut
zwak -t volledig

opjutten

  1. overgankelijk kwaad en opgewonden maken
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]